In Internet Explorer 6 worden sommige onderdelen van deze website niet, of onjuist getoond. Gebruik s.v.p. en nieuwere webbrowser om deze website volledig te ervaren.

Open het afdrukvoorbeeld

Over...

Over de Veenkolonieën

     In de inleiding op de homepage heb ik al aangegeven dat veel leden van de familie Boekhoud vanaf ongeveer 1800 generaties lang gewoond en gewerkt hebben in de Veenkolonieën en daar voor een deel nog steeds wonen. Het ligt daarom voor mij voor de hand om het vroegere leven in deze regio te schetsen teneinde een indruk te geven over de landstreek, het ontstaan van het veengebied, de ontwikkeling van de regio i.c. het exploiteren van het veen en de bittere armoede waarin een groot deel van de bevolking moest leven, vooral de veenarbeiders.

      Het is vrijwel zeker dat in de laatste ijstijd de Hondsrug in Drenthe als een wal is ontstaan door de opstuwing van gletsjers uit Scandinavië. Het hogere land, dat ten oosten van het Stadskanaal ligt  bleef hoog genoeg om tussen dit gebied en de Hondsrug een dal of slenk te vormen. Omdat ongeveer bij Veendam in het noorden en Klazienaveen in het zuiden de afwatering slecht was en de bodem niet genoeg regenwater kon afvoeren ontstond hier een uitgebreid moerasgebied. In de loop van de eeuwen is door afsterving van moerasplanten in deze regio (en met een oostelijke uitloper in Duitsland) een hoogveengebied ontstaan met veenlagen tot wel tien meter dikte dat voor het Nederlandse deel bekend is als het Bourtangermoeras.  De ligging en de omvang van dit moeras staat globaal aangegeven op het boven ingevoegde kaartje.  De westzijde van het Nederlandse moerasgebied ligt ruwweg ten oosten van de Hondsrug in Drenthe en aan de andere kant grenzend aan het hogere land in de provincie Groningen. Aan de noordzijde grensde het Bourtangermoeras ongeveer aan het gebied waar nu Veendam ligt en aan de zuidzijde globaal bij Klazienaveen. De moerassen besloegen in totaal een gebied van omstreeks 160.000 ha. Hoe deze moerassen eruit zagen toont de foto hiernaast.
     Er zal in de jaren vóór 1800 op zeer kleine schaal vast wel turfwinning voor eigen gebruik plaatsgevonden hebben door boeren die op het hogere land hun bedrijf hadden maar van een industriële exploitatie was toen nog geen sprake.

     In 1765 besloot de stad Groningen een kanaal te graven van Bareveld naar Ter Apel om de ontginning van het Bourtangermoeras te bevorderen, het kanaal dat nu bekend staat als het Stadskanaal. (Het zuidelijk gedeelte van dit kanaal staat ook bekend als het Musselkanaal en aansluitend het Terapelkanaal). Het graven van het kanaal werd onder andere ingegeven omdat met de toename van de bevolking en de industrie in het noorden van Nederland, maar ook in andere streken van Nederland, meer energiebehoefte nodig was voor verwarming en voor de industrie. Ook in de beginjaren van de aanleg was er nog geen grootschalige exploitatie omdat het kanaal pas in 1856 werd voltooid.
      Het Stadskanaal was voor de ontvening en het in cultuur brengen van de Veenkolonieën toentertijd van doorslaggevende betekenis.  Hoewel er van heinde en verre arbeiders naar de regio trokken, omdat er werk was, zijn het toch hoofzakelijk Groningse en Duitse arbeiders geweest die het kanaal, met een lengte van 31,4  kilometer en een gemiddelde breedte van 15 meter op de waterlijn, met de hand gegraven hebben. In het kanaal werden 8 sluiscomplexen of verlaten gebouwd (waarvan de foto hiernaast een impressie geeft) om het totale hoogteverschil van 10 meter tussen de 9 panden vanaf Veendam tot Klazienaveen te overwinnen.
     Ten behoeve van de afwatering en het afvoeren van de turf werden vele zijkanalen, de zogenaamde monden gegraven, bedoeld voor de afwatering van het moeras en de afvoer van turf. Nog steeds hebben deze monden een naam die duidt op waar ze vanaf het Stadskanaal naar toe leiden, bijvoorbeeld de Weerdingermond naar Weerdinge, de Valthermond naar Valthe en de Buinermond naar Buinen, etc.  Wat in vele publicaties ontbreekt is dat er vanaf  de monden ook nog zijkanaaltjes werden gegraven om naast de ontwatering ook de diverse veenkavels bereikbaar te maken. Deze kanaaltjes, de zgn. wijken (wieken op zijn Gronings) hadden geen naam maar een nummer. (In mijn jeugd ging ik met neven en nichten regelmatig vissen in de 5e "wieke" van de Valthermond, het stikte daar van de witvis. J.B.)
     In de jaren dat het kanaal en de monden werden gegraven kwam met de voortgang daarvan tegelijk de ontvening van het Bourtangermoeras op gang.  Daarvoor werden de veengebieden verdeeld in kavels die gepacht konden worden. Mensen met wat kapitaal, de zogenaamde Veenbaronnen, pachtten deze kavels en trokken arbeiders aan om het veen te ontginnen. Deze arbeiders werden toentertijd vanwege de grote werkeloosheid uit allerlei windstreken voor een habbekrats ingehuurd en ook al was het in het veen zwaar en onaangenaam werk, was er aan deze werkers geen gebrek.  De eisen die door de Veenbaronnen voor het indienstnemen aan de arbeiders gesteld werden waren extreem. De arbeiders werden bijvoorbeeld gedwongen tot winkelnering, (het systeem waarmee arbeiders gedwongen werden tegen woekerpijzen hun levensmiddelen bij de Veenbaron te kopen) en vaak werden hun vrouwen verplicht ook in het veen te werken.
De huisvesting van deze arbeiders was in de begintijd van de ontvening in de meeste gevallen abominabel. De arbeiders woonden vaak midden in het veen in zogenaamde "plaggenhutten" zoals op de bijgaande foto. Je kunt je voorstellen dat onder deze omstandigheden de opvoeding van hun kinderen zwaar te wensen overliet. Onderwijs was er voor deze kinderen niet of nauwelijks en de oudere kinderen moesten op hun broers en zussen passen. Ook alcoholisme om de harde omstandigheden te ontvluchten was een groot probleem.
     Met het voortschrijden van de ontvening werd het transport van allerlei goederen, met in de beginfase natuurlijk grotendeels de turf, op het Stadskanaal steeds intensiever, tot wel 200 schepen per dag waarmee het kanaal een van de drukst bevaren routes in Nederland was. Dat leidde ertoe dat de wachttijden bij de sluizen voor het schutten naar het volgende pand van het kanaal tot uren kon oplopen. Omdat de schippers en hun familie toch de dagelijkse voeding zoals brood e.d. nodig hadden vestigden zich in de buurt van deze sluizen kleine middenstanders; bakkers, slagers, etc.
 
     Na de ontvening van de veenpercelen moesten, op last van de stad Groningen, de blootgelegde dalgronden vermengd worden met de bovenste onbruikbare  laag van het veen en vuilnis/compost uit de stad om zodoende een bruikbaar areaal aan landbouwgrond te krijgen zodat de regio verder tot ontwikkeling kon komen. Gaande de ontvening kwam er dus steeds meer landbouwgrond ter beschikking waarop landbouwers zich vestigden die weer de nodige arbeidskrachten inhuurden. De producten die geteeld werden waren vooral (fabrieks)aardappelen en diverse graansoorten. Dat leidde er weer toe dat in de regio aardappelmeelfabrieken (vanaf ca 1841) en strokartonfabrieken (vanaf ca 1870) werden gevestigd die ook weer de nodige arbeidskrachten aantrokken. Andere industrieën die zich vestigden waren o.a. scheepswerven, steenbakkerijen en een glasfabriek.
    Omdat voor de huisvesting van de bevolking voornamelijk alleen de kavels voor de bouw van woningen langs het Stadskanaal beschikbaar waren (maar met achtertuinen van soms wel 100 meter zodat men zijn eigen groenten e.d. kon verbouwen omdat er in die periode nog geen groentehandelaren waren) ontstond in de loop der jaren tussen Ter Apel en Veendam de voor de Veenkolonieën zo kenmerkende lintbebouwing aan weerszijden van het kanaal. De vestiging van al deze arbeidskrachten leidde er weer toe dat er steeds meer (middenstands)winkels kwamen die een keur aan produkten verkochten. Je moet hierbij wel bedenken dat er tot ongeveer 1960 nauwelijks sprake was van dorpskernen. Hier en daar een zijstraat en dat was het dan wel.
     Al met al blijkt dus, zoals boven reeds vermeld, dat het Stadskanaal voor de ontwikkeling van de Veenkolonieën van zeer grote betekenis is geweest.
     Vanaf ca 1900 nam de bedrijvigheid rond de veenderijen steeds meer af omdat het Bourtangermoeras gaandeweg steeds meer werd ontveend en de ontvening rond 1950 vrijwel tot stilstand kwam. Het veen van het Bourtangermoeras is nu bijna helemaal afgegraven. Alleen in de omgeving van Bargercompascuüm en Klazienaveen rest nog een klein gedeelte. Het is te hopen dat dit gedeelte als natuurgebied beschermd en bewaard blijft.

     Toen het vervoer van agrarische producten, zoals aardappelen en stro, vanaf rond 1920 - 1930 steeds meer per as plaats vond en dus de scheepvaart nog verder terugliep, verloor het Stadskanaal allengs voor een zeer groot gedeelte zijn economische betekenis en het kanaal wordt nu (2012) eigenlijk hoofdzakelijk voor de

pleziervaart gebruikt. Het verloop van de economische betekenis spreekt ook al uit het feit dat diverse monden gedempt zijn omdat daar geen scheepvaart meer plaatsvond.

     Het spreekt vanzelf dat het bovenstaande slechts een heel klein exposé is van de ontwikkeling van de Veenkoloniën. Als je meer wilt weten kun je op Internet een schat aan informatie vinden. Hoewel ik uit mijn jeugd natuurlijk nog veel weet, heb ook ik daar dankbaar gebruik van gemaakt.
     Ik wil je er nog op wijzen dat mijn beschrijving van de ontwikkeling van de Veenkolonieën loopt tot ongeveer het jaar 1950 - 1960. Over de ontwikkelingen van na die tijd zul je Internet moeten raadplegen.

     Als je in het noorden van het land bent kan ik je een bezoek aan het Veenpark in Bargercompascuüm bij Klazienaveen van harte aanbevelen. Nadere informatie kun je vinden op 
     www.veenpark.nl
Je kunt op Youtube nog wat filmpjes vinden over de Veenkolonieën:
     www.youtube.com/watch?v=DpOpTsorPaE